Blauwgrasland

Home Blauwgrasland

Volgens de overlevering is de term Blauwgrasland  mogelijk afkomstig van de bekende vegetatiekundige Victor Westhoff, en terug te voeren op de blauwachtig gekleurde grassen die er groeien.

Hoewel er onloochenbaar verschillende duidelijk blauwachtige soorten voorkomen, is die kleur ook bij kerngezonde blauwgraslanden maar zelden over grotere oppervlakken te ontdekken.

Er zou ook sprake kunnen zijn van een historisch gegroeide vergissing. In sommige dialecten wordt het woord ‘blauw’ behalve voor de kleur namelijk ook gebruikt in de betekenis van ‘kwalitatief minderwaardig’, zoals in de uitdrukking ‘een blauwe maandag’. Het zou een zinnige verklaring zijn omdat het nadrukkelijk een type schraal-land betreft.

De belangrijkste soorten planten, behorende bij het Blauwgrasland,  zijn blauwe zegge en pijpenstrootje, maar ook borstelgrastandjesgras en witbol komen hier voor. In blauwgraslanden kunnen verder opvallend veel zeldzame plantensoorten voorkomen (al dan niet van de rode lijst) zoals Parnassia palustrisblauwe knoopmoerasviooltjedopheidezonnedauwspaanse ruitermelkeppegewone vleugeltjesbloemheidekartelbladklokjesgentiaanveenpluisgagelwelriekende nachtorchis en gevlekte orchis.

In De Moerputten kom ook de Grote Pimpernel  (Sanguisorba officinalis,  synoniemPoterium officinale) in grote hoeveelheden voor.  Dit is een plant die behoort tot de rozenfamilie (Rosaceae).    Deze plant, die een hoogte kan bereiken van 30 tot 120 cm, schiet op uit dikke vertakte ondergrondse stengels. Hij vormt een rozet van maximaal 14 blaadjes, waaruit verschillende bloemstelen opschieten met langwerpige donkerrode bloemhoofden zonder kroonblaadjes. Hij bloeit van juni tot september en komt in grote delen van Europa voor in vochtige graslanden met vooral een kleiachtige ondergrond.